A Dog With Swag

Elke ochtend loop ik de opkomende zon tegemoet en geniet van iedere stap door de bergen van Kreta. De lucht ruikt naar tijm en droge aarde.  Het licht is nog zacht, bijna terughoudend, alsof de dag zelf nog even wil genieten van de stilte voor hij begint en ook de veldbloemen houden de blaadjes nog ingeklapt.

Op mijn route kom ik al een tijd dezelfde hond tegen. Een middelgrote bruinzwarte kerel, waarschijnlijk een mix, stevig, een beetje grijs om de snuit, en met de kalme uitstraling van een hond die heeft besloten dat het leven goed is. Hij woont waarschijnlijk in het kleine huisje met een golfplaten dak, draagt een halsband, maar is verder een volstrekt vrije hond. Hij gaat en staat waar hij wil. Zijn territorium is de hele berg en regelmatig zie je hem zelfs beneden bij de strandtenten in de zon liggen tussen de benen van de overwinteraars.

Hij kijkt je oprecht blij aan. Niet opdringerig, niet wanhopig,gewoon blij, zoals alleen honden dat kunnen. Als hij kwispelt, doet zijn hele achterlijf mee. Het is geen staartje dat wiebelt, het is een compleet achterlijf dat swingend de wereld begroet, als een Afrikaanse danseres die volledig opgaat in de muziek. Aaien doe je op zijn voorwaarden. Hij duwt zijn koppie onder je hand, draait zich in één vloeiende beweging op zijn rug en geeft zich over aan de aandacht. Maar hij onderwerpt zich niet. Er is een verschil, en hij weet dat verschil haarfijn.

Vandaag zie ik hem voor me uit lopen, bergop. Bovenaan de kruising gaat hij even heerlijk op zijn rug rollen op het asfalt, dat al is opgewarmd door de vroege ochtendzon. We spreken ieder onze eigen taal en verstaan elkaar.  Ik roep: “HÉ IDIOOT, je gaat toch niet midden op de weg liggen rollen?” Vanuit het rollen kijkt een guitige blik opzij. En meteen begint het hele lijf al te kwispelen. Ik vraag hem of alles goed gaat en krijg een hondenlach en nog meer kwispelen als antwoord.

Soepel springt hij op, al is hij niet meer de jongste. Hij komt op me af, maar ik heb de pas er al weer in. Want als hij meeloopt, is hij tenminste weg van het midden van de weg. De Grieken racen soms pittig snel over de bochtige weggetjes.

Hij huppelt mee, maar met zijn eigen agenda. Elke tien meter valt er wel iets te snuffelen. Hij doet zijn rondje, snuffelt het laatste nieuws op bij elke steen, elke grasspriet, elke bandafdruk in het asfalt. Serieus werk.

Na een paar honderd meter lopen we langs een huis omringd door een hoge stenen muur. Van achter die muur klinkt zwaar, dreigend geblaf. Ik ken die hond. Geen vriendelijk beest, een waakhond pur sang, altijd op oorlogspad. Mijn grote wandelvriend trekt zich er niets van aan. Of toch?

Sterker nog, het lijkt alsof hij zijn pas vertraagt. Waar hij de hele weg tot nu toe kort en zakelijk snuffelt, gaat hij nu op zijn dooie akkertje alles uitgebreid, grondig, bijna theatraal besnuffelen. Terwijl de hond achter het hek steeds heftiger te keer gaat.

Ik kijk naar mijn wandelmaatje. Hij snuffelt rustig verder. Geen paniek. Geen haast. Geen enkele blik naar het hek. Alleen die brede, lome manier van lopen – net iets breder dan nodig, net iets langzamer dan zojuist – alsof hij wil zeggen: dit is mijn weg, vriend. Altijd al geweest.

Dat is swag. Niet aangeleerd. Niet opgevoerd. Gewoon wie hij is. Een vrije hond op een Kretenzische berg, die leeft volgens het credo dat in Matala op de kademuur staat geschreven. Today is life, tomorrow never comes.​​​​​​​​​​​​​​​​

0 likes
Prev post: Zénó, hoe de naam ons vondNext post: Fodele viert Oranje samen

Related posts

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *