Te gast in de stad die mijn thuis was

We zijn een weekje terug in Nederland. Niet zomaar terug. We zijn hier om onze jongste zoon en schoondochter een beetje te helpen met klussen in hun prachtige nieuwe woning. Paar dagen verf, dozen, stof, schroeven, passen, meten, sjouwen. Een dagje oppassen. En vandaag even shoppen in Zaandam.

Zaandam, de stad waar ik vanaf mijn zevende heb gewoond. Van kind naar puber. Van puber naar volwassen man. Van volwassen man naar vader. Tot 2008 was dit mijn stad. En toch loop ik er vandaag rond als gast. Er zijn herkenningspunten. Hoeken waarvan mijn lichaam nog weet: hier ging je links. Straten die iets in mijn geheugen aantikken. Gevels die even zeggen: weet je nog? Maar veel meer is anders. Winkels zijn veranderd. Looproutes voelen anders. Mensen bewegen anders. De mensen zijn anders. De stad heeft zichzelf opnieuw aangekleed, opnieuw uitgevonden, terwijl ik ergens anders ben gaan wonen.

En dan voel ik het heel duidelijk. Dit is niet meer thuis. Thuis is nu Kreta. Niet omdat Zaandam niets meer betekent. Juist niet. Misschien raakt het me omdat het zoveel heeft betekend. Maar betekenis en thuis zijn niet altijd hetzelfde. Soms blijft een plek in je geschiedenis wonen, terwijl jijzelf bent doorgereisd.

Een cappuccino als spiegel

We drinken even een cappuccino. Leuk tentje. Mooie uitstraling. Precies zo’n plek waar je denkt: ja, hier kunnen we wel even zitten. Maar je moet zelf aan de counter bestellen, op zich niet erg maar merk ik dat mijn meetlat verschoven is. Op Kreta, waar we nu wonen, worden we bijna overal aan tafel bediend. Niet overdreven chic, niet gemaakt. Gewoon vanzelfsprekend, gastvrij. Je gaat zitten. Iemand ziet je. Er komt water op tafel. Kosteloos. Zonder dat je erom vraagt. Alsof eerst even wordt gezegd: je bent er, je bent gezien, je mag landen. Hier sta ik een paar minuten aan een balie waarachter drie meiden het erg druk hebben met van alles. Twee zijn bezig met bestellingen maken, dat snap ik. Werk is werk. Druk is druk. Maar de derde doet vooral haar best om geen oogcontact te maken. Geen glimlach. Geen knikje. Geen “ik kom zo bij u”. Alleen zo’n blik die ergens tussen ongeïnteresseerd en ontevreden hangt. Alsof mijn bestelling haar stoort in iets belangrijkers.

Dan gebeurt er iets geks. Uiteindelijk mag ik, bij de gratie van het meisje achter de counter twee cappuccino’s bestellen, maar van binnen ben ik al een heel verhaal aan het schrijven. Over Nederland. Over service. Over jeugd. Over afstand. Over wat er veranderd is. Over wat ik misschien romantiseer aan Kreta. Over of ik nog wel objectief kijk. Want dat is de vervolg vraag die ik mijzelf stel. Ben ik eerlijk aan het waarnemen? Of kijk ik inmiddels door een Kretenzische bril?

Water op tafel. Het gaat natuurlijk niet om die cappuccino. Het gaat niet eens om bediening aan tafel of bestellen aan de counter. Zelf bestellen kan prima zijn. In veel landen is het normaal. In Nederland ook steeds meer. Het gaat over aanwezigheid en gezien worden. Om de kleine sociale beweging die zegt: ik heb je opgemerkt.

Dat is iets wat me op Kreta steeds vaker raakt. Mensen hoeven daar niet uitbundig vriendelijk te doen. Het zit vaak in het kleine. Een glas water. Een knikje. Een handgebaar. Een paar woorden. Een eigenaar die even komt vragen waar je vandaan komt. Een ober die onthoudt dat je de vorige keer iets anders dronk. Een kassière die niet per se haast maakt, maar wel mens blijft.

Niet overal. Natuurlijk niet. Kreta is geen sprookje. Ook daar zijn mensen moe, druk, kortaf of chagrijnig. Maar gemiddeld voel ik vaker: het contact.

Hier voelde ik even het omgekeerde. Eerst systeem. Dan bestelling. Misschien daarna pas mens. Gelukkig is Nederland ook nog gewoon Nederland. We lopen de viswinkel binnen, even een harinkje happen want die hebben ze echt op Kreta niet en Oer-Hollandser kan bijna niet. Zoute haring met uitjes en zuur. Vlaggetje erbij. Zo’n smaak die meteen door je hele Nederlandse geheugen heen gaat. Zilt, zacht, fris, vet, uiig. Niet netjes internationaal, maar heerlijk lokaal. Een hap geschiedenis op een kartonnen schaaltje.

En daar zijn ze wél. Gezellige mensen achter de toonbank. Aandacht. Grapjes. Herkenning. Een bakkie kibbeling voor de jonge dame die met haar oma op pad is. Een opmerking tegen de man die blijkbaar elke week een haring komt eten. “Tot volgende week.” En dan nog even de waarschuwing voor de meeuwen op het terras, want die lusten er wel pap van.

Kijk. Daar is het. Niet als nostalgie. Niet als vroeger was alles beter. Gewoon als levend bewijs dat het ook hier nog bestaat. Warmte. Aandacht. Plaatselijke menselijkheid.

Misschien is dat precies waarom het verschil zo voelbaar wordt. Omdat het contrast niet alleen tussen Nederland en Kreta zit. Het zit zelfs binnen één winkelstraat. Binnen één middag. Binnen honderd meter. Aan de ene kant een cappuccino zonder oogcontact zonder verbinding. Aan de andere kant haring met een praatje.

De grote stad maakt afstand. Maar we zijn in een grote stad. Of beter gezegd: in een stad die groot is gaan voelen. Zaandam was voor mij ooit overzichtelijk. Mijn wereld paste erin. School, vrienden, werk, winkels, routes, herinneringen. Alles had een plek. Alles had een laag. Je kende mensen, of je kende mensen die mensen kenden.

Nu voelt het anders. Drukker. Sneller. Anoniemer. Meer beweging, minder bedding. Meer aanbod, minder ontmoeting. Meer prikkels, minder vanzelfsprekende aandacht.

Waarschijnlijk is dat niet alleen in Zaandam. Misschien is dat Nederland. Misschien is dat de stad. Misschien is dat tijd. Misschien ben ik het zelf. Want ik ben ook veranderd en woon ik inmiddels op een eiland, waar de zee anders praat, waar de bergen altijd ergens aanwezig zijn, waar een dag vaak niet begint met efficiëntie maar met licht. Waar je soms gek wordt van traagheid, bureaucratie en siga siga, maar waar die traagheid ook iets teruggeeft wat je pas mist als je weer tussen haastige gezichten loopt. Te gast bij je eigen verleden. Het vreemde is ik voel me niet verdrietig. Wel weemoedig.

Dat is een ander soort gevoel. Zachter. Minder dramatisch. Meer als een jas die ooit goed paste, maar waarvan je nu merkt dat je schouders anders zijn geworden. Zaandam hoort bij mij. Dat zal altijd zo blijven. Hier liggen stukken jeugd, vaderschap, werk, vriendschappen, fouten, keuzes, groei. Je kunt een stad verlaten, maar een stad verlaat jou nooit helemaal. Alleen is ze niet meer mijn thuis. Ik ben hier te gast. Wim Zonneveld bezong het al.

Bij onze zoon en schoondochter. Bij hun nieuwe begin in een andere stad. Bij mijn eigen verleden. Bij de haring, de meeuwen, de winkelstraten, de herinneringen en de stukjes herkenning die tussen alle verandering door nog overeind staan. En misschien is dat genoeg.

Misschien hoeft een oude thuisstad geen thuis meer te zijn om waardevol te blijven. Misschien mag ze gewoon een plek zijn waar je af en toe terugkomt om te voelen wie je was, wie je bent geworden en waar je nu werkelijk thuishoort. Vandaag smaakt Zaandam naar haring, kibbeling en cappuccino.

Maar thuis? Thuis smaakt inmiddels naar water dat ongevraagd op tafel wordt gezet, het toetje en de raki die bijna standaard worden geserveerd als voorloper op de rekening. Thuis is veel meer dan Kreta, het is daar we je gezien wordt voordat je iets bestelt.

1 like
Prev post: Geen willetje, maar weten wat je wil

Related posts

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *